Wat weten we eigenlijk over (medicinale) paddenstoelen?



Na artikelen over Lion’s Mane, Reishi, Cordyceps, Maitake, Shiitake, Turkey Tail, Chaga en Schizophyllum commune blijft uiteindelijk één vraag over:

Wat weten we nu eigenlijk écht over, zoals dat in de literatuur genoemd wordt, medicinale paddenstoelen?

Het korte antwoord is misschien minder spectaculair dan sommige verhalen op internet.

We weten behoorlijk veel over de chemie van paddenstoelen.

We weten steeds meer over de manier waarop bepaalde moleculen in laboratoriumonderzoek biologische processen kunnen beïnvloeden.

Er zijn ook klinische onderzoeken bij mensen.

Maar tussen een interessant molecuul, een laboratoriumresultaat en een bewezen gezondheidseffect bij mensen zitten nog verschillende stappen.

Juist dat onderscheid maakt het onderwerp interessant.

Van paddenstoel naar molecuul

Een paddenstoel is geen enkelvoudige stof.

Het vruchtlichaam bevat een complex mengsel van onder andere polysachariden, eiwitten, lipiden, sterolen, terpenoïden, fenolische verbindingen, pigmenten en andere metabolieten.

Welke stoffen aanwezig zijn, hangt bovendien af van de soort, het groeimedium, het deel van de schimmel, de teeltomstandigheden en de verwerking.

Daarom kan de uitspraak:

“Onderzoek toont aan dat deze paddenstoel werkt”

wetenschappelijk gezien te algemeen zijn.

De echte vraag is:

welke paddenstoel, welk deel, welk preparaat en welke dosis zijn onderzocht?

Dat onderscheid komt steeds terug in de wetenschappelijke literatuur over (medicinale) paddenstoelen. Reviews wijzen erop dat veel klinische onderzoeken relatief klein zijn en dat verschillen in preparaten, extractiemethoden en samenstelling het vergelijken van resultaten bemoeilijken.

Bèta-glucanen: een van de bekendste onderzoekslijnen

Een van de belangrijkste groepen verbindingen in paddenstoelen zijn bèta-glucanen.

Dit zijn polysachariden die deel uitmaken van de celwand van veel schimmels.

Maar bèta-glucaan is geen enkelvoudige stof.

De structuur kan verschillen in onder andere ketenlengte, vertakking en molecuulgrootte. Die verschillen kunnen biologische eigenschappen beïnvloeden.

Daarom is zelfs de term “bèta-glucaan” op zichzelf onvoldoende om twee preparaten als gelijkwaardig te beschouwen.

Een systematische review van 34 gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken onderzocht verschillende schimmel-afkomstige bèta-glucanen. De onderzochte bronnen omvatten onder andere Lentinula edodes, Ganoderma lucidum en Pleurotus ostreatus. De resultaten waren interessant, maar ook niet volledig consistent voor verschillende immuunparameters. De auteurs benadrukken dat meer onderzoek nodig is naar optimale dosering en werkingsmechanismen.

Dat is kenmerkend voor het hele vakgebied.

Er zijn signalen. Maar signalen zijn nog geen definitieve conclusies.

Laboratoriumonderzoek vertelt een ander verhaal

Veel onderzoek naar (medicinale) paddenstoelen begint in het laboratorium.

Onderzoekers kunnen daar bijvoorbeeld kijken naar:

  • veranderingen in immuuncellen;
  • activiteit van bepaalde enzymen;
  • oxidatieve processen;
  • ontstekingsgerelateerde signaalroutes;
  • celgroei;
  • apoptose;
  • interacties met micro-organismen.

Dit onderzoek is belangrijk.

Het kan helpen om te ontdekken wat een verbinding mogelijk doet.

Maar een cel in een laboratoriumschaaltje is geen mens.

Een stof kan bijvoorbeeld een effect hebben op gekweekte kankercellen bij een bepaalde concentratie, zonder dat dezelfde concentratie in het menselijk lichaam bereikt kan worden.

Daarom kan een laboratoriumresultaat vooral een onderzoekshypothese opleveren.

Niet automatisch een gezondheidsclaim.

🐁 En dieronderzoek?

Diermodellen vormen een volgende stap.

Hier kan worden onderzocht wat een extract of verbinding doet in een compleet organisme.

Dat levert informatie op over bijvoorbeeld opname, verdeling, metabolisme en biologische effecten.

Maar ook hier blijft een belangrijke grens bestaan.

Een resultaat bij een muis is geen automatisch resultaat bij een mens.

Dosis, stofwisseling, immuunsysteem en fysiologie kunnen verschillen.

Daarom wordt dieronderzoek vooral gebruikt om hypotheses verder te onderzoeken en om te bepalen of een onderzoekslijn voldoende interessant en verantwoord is om verder te ontwikkelen.

👤 Het moeilijkste onderdeel: onderzoek bij mensen

Uiteindelijk willen we weten wat er bij mensen gebeurt.

Daarvoor zijn klinische onderzoeken nodig.

Een goed onderzoek moet onder andere duidelijk maken:

Wie deden mee?

Wat kregen zij?

Hoeveel?

Hoe lang?

Welk preparaat werd gebruikt?

Waarmee werd het vergeleken?

En vooral:

welke uitkomst werd gemeten?

Dat laatste is belangrijk.

Een studie kan bijvoorbeeld aantonen dat een bepaalde biomarker verandert.

Dat betekent niet automatisch dat mensen zich daardoor beter voelen, minder vaak ziek worden of langer leven.

Een biomarker is een meetbare biologische verandering.

Een klinische uitkomst is iets anders.

Het verschil tussen een marker en een effect

Stel dat onderzoekers zien dat een bepaalde immuunmarker verandert na het gebruik van een paddenstoelenextract.

Dat is interessant.

Maar het betekent niet automatisch dat iemand daardoor een betere weerstand heeft.

Hetzelfde geldt voor onderzoeken naar cognitieve markers, cholesterol, glucose, ontstekingsmarkers of andere laboratoriumwaarden.

De wetenschappelijke vraag is uiteindelijk:

leidt de biologische verandering ook tot een betekenisvolle verandering voor de mens?

Dat onderscheid is essentieel bij het lezen van onderzoek.

Waarom de ene paddenstoel niet gelijk is aan de andere

In de afgelopen artikelen zagen we steeds dezelfde rode draad.

Lion’s Mane bevat andere karakteristieke verbindingen dan Reishi.

Reishi bevat andere triterpenoïden dan Maitake.

Cordyceps heeft weer zijn eigen chemische profiel.

En Schizophyllum commune staat bekend om onder andere schizophyllan.

Daarom kunnen resultaten niet zomaar van de ene soort naar de andere worden gekopieerd.

Maar zelfs binnen één soort bestaat variatie.

Een vruchtlichaam is niet noodzakelijk hetzelfde als mycelium.

Een poeder is niet hetzelfde als een extract.

Een heetwaterextract is niet hetzelfde als een ethanolisch extract.

En een gestandaardiseerd onderzoeksproduct is niet automatisch hetzelfde als een willekeurig product met dezelfde paddenstoelnaam.

Extractie verandert het verhaal

Dat was het onderwerp van het vorige artikel.

Water en alcohol halen verschillende groepen verbindingen uit een paddenstoel.

Daarom kan de extractiemethode invloed hebben op de uiteindelijke chemische samenstelling.

Ook bèta-glucanen illustreren dit probleem.

Onderzoek laat zien dat verschillen in bron en extractieprocedure kunnen leiden tot verschillen tussen ogenschijnlijk vergelijkbare bèta-glucaanpreparaten. Dat maakt het moeilijk om resultaten van verschillende onderzoeken één op één met elkaar te vergelijken.

Een onderzoek naar een specifiek extract zegt daarom in de eerste plaats iets over dat extract.

Niet automatisch over de hele paddenstoel.

De dosering is net zo belangrijk

Ook de hoeveelheid doet ertoe.

Een laboratoriumonderzoek kan bijvoorbeeld werken met een relatief hoge concentratie van een geïsoleerde verbinding.

Een voedingsmiddel bevat daarvan mogelijk slechts een fractie.

En een supplement kan weer een andere concentratie leveren.

Daarom moet bij ieder onderzoek worden gekeken naar de daadwerkelijke dosis.

De vraag is niet alleen:

“Welke paddenstoel is onderzocht?”

maar ook:

“Hoeveel van welk preparaat kregen de deelnemers?”

Zonder dat gegeven is het moeilijk om een onderzoeksresultaat naar een andere toepassing te vertalen.

🧪 Wat weten we redelijk goed?

We kunnen inmiddels met behoorlijk veel zekerheid zeggen dat paddenstoelen een grote verscheidenheid aan biologisch interessante moleculen bevatten.

Ook is duidelijk dat sommige daarvan in laboratorium- en diermodellen biologische effecten kunnen hebben.

Bèta-glucanen zijn bijvoorbeeld uitgebreid onderzocht vanwege hun interacties met het immuunsysteem.

Daarnaast bestaan er voor sommige paddenstoel-afgeleide verbindingen en preparaten klinische onderzoeksprogramma’s.

Dat betekent niet dat iedere toepassing bewezen is.

Maar het betekent wel dat medicinale paddenstoelen niet uitsluitend een onderwerp zijn van traditionele kennis of moderne wellness.

Er bestaat daadwerkelijk een omvangrijk wetenschappelijk onderzoeksveld.

❓ Waar zitten de grootste gaten?

De belangrijkste uitdaging ligt bij de vertaling van veelbelovende biologische resultaten naar betrouwbare klinische toepassingen.

Een overzicht van klinisch onderzoek naar (medicinale) paddenstoelen concludeerde dat relatief weinig grote fase-III-onderzoeken zijn uitgevoerd en dat veel studies kleine aantallen deelnemers omvatten. De auteurs benadrukken daarom dat grotere en beter gecontroleerde klinische onderzoeken nodig zijn.

Dat is misschien wel de belangrijkste boodschap van de hele reeks.

Interessante biologie is nog geen bewezen klinische werking.

Veiligheid verdient dezelfde aandacht als werkzaamheid

Bij natuurlijke producten wordt veiligheid soms als vanzelfsprekend beschouwd.

Dat is niet terecht.

“Natuurlijk” beschrijft de oorsprong van een stof, niet automatisch het veiligheidsprofiel.

Ook de identiteit en zuiverheid van de grondstof zijn belangrijk.

Een onderzoek naar de veiligheid van paddenstoelgrondstoffen in voedingssupplementen benadrukte onder andere het belang van correcte soortidentificatie, chemische analyse en toxicologische beoordeling.

Daarmee komen we bij een onderwerp dat minder aantrekkelijk klinkt dan de gezondheidsclaims, maar wetenschappelijk minstens zo belangrijk is:

kwaliteit.

Wat moet je eigenlijk willen weten?

Wanneer je een onderzoek of product over een medicinale paddenstoel tegenkomt, zijn er een aantal eenvoudige vragen die veel duidelijkheid geven.

1. Welke soort?

Niet alleen de Nederlandse naam.

Maar bij voorkeur de volledige wetenschappelijke naam.

2. Welk deel?

Vruchtlichaam?

Mycelium?

Een combinatie?

3. Welk preparaat?

Poeder?

Waterextract?

Alcoholisch extract?

Dubbele extractie?

Gezuiverde verbinding?

4. Welke concentratie?

Hoeveel van de relevante verbindingen zit er daadwerkelijk in?

5. Welke dosis werd onderzocht?

En gedurende welke periode?

6. Bij wie?

Gezonde mensen?

Mensen met een specifieke aandoening?

Ouderen?

Sporters?

Een bepaalde patiëntengroep?

7. Wat werd gemeten?

Een biomarker?

Een symptoom?

Een functionele uitkomst?

Kwaliteit van leven?

Of een harde klinische uitkomst?

8. Hoe sterk is het onderzoek?

Een celonderzoek, dieronderzoek, observationele studie en gerandomiseerde gecontroleerde trial hebben niet dezelfde bewijskracht.

Een nieuwe manier van kijken

Misschien moeten we daarom af van de simpele vraag:

“Werkt deze paddenstoel?”

Dat is eigenlijk een te grote vraag.

Een betere vraag is:

“Wat weten we over dit specifieke preparaat, bij deze dosis, bij deze groep mensen en voor deze uitkomst?”

Dat klinkt minder spectaculair.

Maar het is veel wetenschappelijker.

En het voorkomt dat verschillende soorten onderzoek door elkaar worden gehaald.

De toekomst van het onderzoek

De volgende generatie onderzoek zal waarschijnlijk steeds preciezer worden.

Niet alleen kijken naar de naam van de paddenstoel, maar naar de volledige chemische samenstelling.

Niet alleen naar “bèta-glucanen”, maar naar hun structuur.

Niet alleen naar “een extract”, maar naar gestandaardiseerde extracten waarvan de samenstelling reproduceerbaar is.

En niet alleen naar laboratoriummarkers, maar naar klinisch relevante uitkomsten.

Daarbij kunnen moderne technieken zoals metabolomics, genetische analyse en geavanceerde chromatografie helpen om veel nauwkeuriger vast te stellen wat zich daadwerkelijk in een paddenstoelpreparaat bevindt.

Dat kan uiteindelijk een van de grootste stappen vooruit betekenen:

van de paddenstoel als categorie naar het specifieke moleculaire profiel van het preparaat.


Beyond the Mushroom

De afgelopen artikelen begonnen telkens met een paddenstoel.

Maar uiteindelijk ging het nooit alleen over een paddenstoel.

Het ging over chemie.

Over evolutie.

Over schimmelnetwerken.

Over extractie.

Over immuunsystemen.

Over onderzoek.

En vooral over de vraag hoe we wetenschappelijke kennis moeten interpreteren.

Paddenstoelen bevatten zonder twijfel een enorme diversiteit aan interessante verbindingen. Sommige daarvan hebben in laboratorium- en dieronderzoek opvallende biologische eigenschappen laten zien. Voor bepaalde preparaten bestaan bovendien klinische onderzoeken bij mensen.

Maar de wetenschap heeft ook grenzen.

Niet ieder laboratoriumresultaat wordt een geneesmiddel.

Niet iedere biomarker is een gezondheidsuitkomst.

Niet ieder extract is hetzelfde.

En niet iedere claim die de naam van een wetenschappelijk onderzoek draagt, wordt door dat onderzoek daadwerkelijk bewezen.

Dat maakt het onderwerp niet minder fascinerend.

Juist het tegenovergestelde.

Hoe meer we over paddenstoelen leren, hoe duidelijker wordt hoeveel er nog te ontdekken valt.

Misschien is dat uiteindelijk de mooiste conclusie van deze reeks:

we hoeven paddenstoelen niet groter te maken dan de wetenschap kan onderbouwen.

Ze zijn interessant genoeg zoals ze zijn.

Complexe organismen.

Chemische laboratoria van de natuur.

Ondergrondse netwerkbouwers.

Voedsel.

Bronnen van moleculen.

En nog altijd voor een groot deel een wetenschappelijk mysterie.

Beyond the Mushroom.

Reacties

Populaire posts van deze blog

De wetenschap achter medicinale paddenstoelen

Lion’s Mane: De paddenstoel die de aandacht van neurowetenschappers trok!

Chaga: De zwarte zwam op de berk!